Voor wie een voedselbos oogst en verkoopt

Agro forestry business: een prijs bepalen zonder marktprijs

Geschreven door Brent van den Belt · · 5 minuten lezen

Een agro forestry business is een bedrijf dat zijn geld verdient met wat er groeit op een perceel waar bomen en struiken samengaan met akkerbouw, groenteteelt of vee. Voor het meeste van die oogst bestaat geen notering. Er is geen beursprijs voor een kilo mispels en geen weekprijs voor een emmer aronia.

Dan leid je een prijs af van drie dingen. Wat die kilo jou heeft gekost, wat je klant nu betaalt voor het dichtstbijzijnde dat hij wél kent, en wat er aan werk in zit dat hij nergens anders krijgt. Die drie geven samen een bandbreedte, en daarbinnen kies je zelf.

Waarom een agro forestry business zijn prijs nergens kan opzoeken

Een marktprijs ontstaat waar veel mensen veel van hetzelfde verhandelen. Daar wordt de prijs een gemiddelde van duizenden partijen, en iedereen die meedoet kan hem opzoeken.

Jij hebt geen partij. Je hebt twaalf kilo van iets, volgende week iets anders, en een deel ervan ligt in geen enkele winkel. Het gemiddelde waar een notering uit ontstaat, bestaat voor jou dus niet, en dat is geen tekortkoming van jouw bedrijf maar een eigenschap van wat je verkoopt.

Dat heeft één prettige kant. Waar geen notering is, ligt jouw prijs ook nooit boven de markt. Je bepaalt hem zelf, en je legt hem aan één iemand uit: degene die hem betaalt.

Begin bij wat een kilo jou kost

Voordat je bepaalt wat je ergens voor vraagt, wil je weten wat die kilo jou heeft gekost. Tel daarvoor op wat er tussen de struik en de klant gebeurt: de uren die het plukken kost, het schoonmaken, het wegen, de zakjes of potjes, en de rit als je het wegbrengt.

Tel er ook bij op wat er niet verkocht raakt. Wat na twee dagen niet meer goed is, is betaald met de uren die je erin stopte, en dat verlies zit in de prijs van wat je wél kwijtraakt.

Wat je er beter buiten laat, is de aanplant. Als je die over de oogst van dit jaar uitsmeert, komt er een bedrag uit dat niemand betaalt en dat over vijf jaar niet meer klopt, want dan hangt er drie keer zoveel aan dezelfde bomen. Het plukken en het wegbrengen kosten elk jaar ongeveer hetzelfde per kilo. Dat is het getal waar je iets aan hebt.

Het dichtstbijzijnde dat je klant wél kent

Je klant vergelijkt hoe dan ook. De vraag is alleen waarmee, en dat bepaal jij door te zeggen waar het op lijkt. Zet je jouw bessen naast het bakje uit de supermarkt, dan is elke prijs erboven te veel. Zet je ze naast wat een speciaalzaak vraagt voor iets dat met de hand is geplukt, dan ligt het anders.

Dit is geen trucje maar de eerlijkste vergelijking die er is: jouw oogst is met de hand geplukt, op de dag zelf, in een hoeveelheid die niet te herhalen valt. Kies dus het alternatief dat op die punten het meest op jou lijkt.

Wat er in beide gevallen naast ligt is het verschil in werk. Dat verschil verkoopt zichzelf niet; je moet het benoemen, en dat is precies waar het over gaat op de pagina over verkopen wat je klant niet kent.

Btw hoort bij de prijs, ook als je hem niet apart noemt

Btw is de belasting die je over je verkoop afdraagt aan de Belastingdienst. Op voedingsmiddelen geldt daarvoor het lage tarief van 9% (Belastingdienst, pagina over het btw-tarief voor voedingsmiddelen, nagekeken augustus 2026). Aan een particulier noem je daarom één bedrag met de btw er al in; bij een zakelijke afnemer zet je hem apart op de factuur.

Is je omzet niet hoger dan 20.000 euro per kalenderjaar, dan kun je kiezen voor de kleineondernemersregeling. Die regeling is een btw-vrijstelling: je berekent dan geen btw aan je klanten, maar je kunt de btw over je kosten en investeringen ook niet terugvragen (Belastingdienst, pagina over de kleineondernemersregeling, nagekeken augustus 2026).

Dat laatste weegt bij een bos dat nog volloopt zwaarder dan het lijkt, want in die jaren geef je meer uit dan je binnenkrijgt. Wat voor jou gunstig uitpakt hangt van je eigen cijfers af, dus leg die keuze aan je boekhouder voor.

Eén prijs die blijft staan, en een oogst die wisselt

Je aanbod verandert per week. Je prijzen hoeven dat niet. Leg per soort een bedrag vast dat het hele seizoen blijft staan, ook als er de ene week veel is en de andere week bijna niets.

Dat scheelt jou het meeste werk. Je hoeft niet elke week opnieuw te bedenken wat iets waard is, de kaartjes op je tafel kloppen altijd, en een vaste afnemer kan rekenen met een bedrag dat hij kent. Een prijs die meebeweegt roept elke week dezelfde vraag op, en die beantwoorden kost meer dan het verschil oplevert.

Wat je doet als je merkt dat je te laag zit

Te laag beginnen is makkelijk gedaan en lastig terug te draaien. Iemand die drie keer hetzelfde bedrag betaalde, merkt de verhoging.

Doe het toch, en doe het aan het begin van een nieuw oogstjaar in plaats van halverwege. Zeg erbij waarom: dat je hebt uitgerekend wat het plukken en het klaarmaken kosten, en dat het oude bedrag daar niet uit kwam. Dat begrijpt iedereen die zelf ooit iets heeft verkocht.

En dan het woord dat je bij dit alles tegenkomt. Je marge is wat er van een verkoop overblijft nadat de kosten van die verkoop eraf zijn. Zolang die niet groter is dan nul, betaal jij mee aan het eten van iemand anders.

Waar je die prijs neerzet

Op een kaartje bij de tafel op je erf ziet je klant het bedrag zonder ernaar te vragen. Hoe je zo'n tafel opzet, staat op de pagina over bezoek dat op een verkoop uitkomt.

Per kanaal verschilt wat er in dat bedrag moet zitten. Wie zelf komt halen, kost je geen rit; een kok die vrijdag levering wil, wel. Welk kanaal bij een kleine, wisselende oogst past, staat bij de kanalen naast elkaar.

Van het kaartje naar de bon

Het bedrag dat op het kaartje staat, moet er bij het afrekenen ook uit komen, ook bij een soort die je twee weken per jaar hebt. Hoe dat werkt bij een aanbod dat elke week verschuift, staat bij het kassasysteem.